Een webbericht schrijven

zondag 12 January 2014

Wist je dat het lezen van een beeldscherm soms wel 25% langzamer gaat dan lezen van papier? En dat het bovendien veel vermoeiender is? Logisch dus dat een bezoeker van een internet- of intranetsite heel snel beslist of hij doorleest, of verder zapt. Zijn de teksten die hij tegenkomt niet bondig geschreven of niet helder gestructureerd, dan klikt hij weg. Dus is het vanzelfsprekend dat je de teksten die voor papier zijn geschreven nooit een op een kopieert en op een website plakt. Het web eist een heel eigen tekstaanpak.

 
 

De lezer als zapper

 
Een website lees je niet, je scant het. Non-lineair lezen heet dat: je begint niet zoals bijvoorbeeld bij een boek linksboven en leest door tot rechtsonder, maar zapt willekeurig over de pagina. Vind je op een webpagina niet direct wat je zoekt, dan klik je weg. Als webschrijver weet je dat je maar drie seconden de tijd hebt om de aandacht van de lezer te trekken. Nog meer dan op papier moet je dus alles uit de kast halen om de webbezoeker aan het lezen te krijgen en te houden. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de wijze waarop je webteksten schrijft en structureert.
 
Kernachtig schrijven
Hou ze kort, de webteksten. Schrap rustig de helft van bestaande teksten en schrijf eenvoudig. Gebruik zinnen met maximaal dertien tot negentien woorden, die zijn gemakkelijk te lezen. En deel ze op in tekstblokken van maximaal vier tot zes regels op het scherm. Maak verder gebruik van alle tips van hoofdstuk 1, dus: vermijd taalvalkuilen zoals ingewikkelde zinsconstructies, lijdende vormen en de naamwoordstijl.
 
Hou het leuk
Het kan niet vaak genoeg gezegd worden in dit hoofdstuk: zorg dat je de lezer boeit, vermaakt en prikkelt, want anders is hij weg. Probeer daar in je manier van schrijven steeds rekening mee te houden. Dus: val met de deur in huis, wees spits, glashelder en hou het lichtvoetig ...
 
Scrollen? Liever niet!
Past een tekst niet op het beeldscherm? Dan moet je scrollen. Webbezoekers vinden dat heel vervelend: je ziet niet direct hoe lang de tekst is, en waar hij over gaat. En dan moet je ook nog wat gaan doen ... je voelt ’m al. Weg is de webzapper!
 
Structureren maar
Niets is de webschrijver te veel om de webbezoeker vast te houden. Herkenningstekens en een goede structuur zijn daarbij essentieel. In paragraaf 2 lees je hoe je een webtekst structureert met een kop, intro of lead, tekstblokken en tussenkoppen. Daarnaast kun je de volgende herkenningstekens gebruiken:
 
Witregels: veel wit op het scherm geeft een rustig schermbeeld. Sla na elk tekstblokje een regel over. Ook tussen de (tussen)kopjes en de tekstblokken komt een witregel.
Gemarkeerde tekst: je maakt een of meer woorden vet, je onderstreept ze of geeft ze een ander kleurtje. Nadeel is wel dat daardoor de tekst minder goed leesbaar wordt (zie hoofdstuk 11).
Pijlen, leestekens en symbolen als    helpen de lezer bij het scannen van de tekst.
Hyperlinks: een woord, stukje tekst, url, symbool of plaatje waarop je kunt klikken om te worden doorgeleid naar een pagina met meer informatie over het betreffende onderwerp. Zie ook in paragraaf 4.
Opsommingen. Op het beeldscherm zijn opsommingen veel gemakkelijker te lezen en te onthouden dan uitgeschreven tekst. Zet de informatie daarom als dat mogelijk is met opsommingstekens onder elkaar. Zorg er wel voor dat je niet meer dan zeven opsommingen hebt, want dan haken de webscanners weer af.
Vragen en antwoorden. De weblezer is op het internet vaak gericht op zoek naar informatie. Hij wil weten wat hij moet doen als zijn rijbewijs verlopen is, wanneer het koopzondag is of wat de bijwerkingen zijn van een medicijn. Werken met vragen en antwoorden past dus bij het informatiezoekgedrag van de lezer. Vandaar ook de populariteit van de FAQ’s-pagina’s (Frequently Asked Questions ‘veelgestelde vragen’). FAQ’s werken het beste als de vraag kort is, geformuleerd wordt vanuit de bezoeker en begint met wie, wat waar, waarom, welke, hoe of waarvoor?
 

Schrijven in tekstblokken

 
Natuurlijk, er zijn een heleboel soorten websites en er zijn boeken volgeschreven over webteksten. Dit artikel beperkt zich dan ook tot het geven van gereedschap voor een webnieuwsbericht. Meestal wordt dat aangekondigd op de homepage of een nieuwspagina. Zo’n webbericht is niet alleen korter dan op papier, het heeft ook een eigen opbouw. De webpagina zelf (het artikel of bericht) bestaat uit tekstblokken of chunks. De totale opbouw (kop, lead of intro, bericht of artikel) lijkt op die van een persbericht, maar heeft wel een eigen karakter.
 
De kop
Het zal je inmiddels niet verbazen dat een kop boven een webtekst vooral kort moet zijn.
 
Tips voor een webkop
 
Gebruik duidelijke, veelzeggende woorden. Zorg dat het eerste woord een kernwoord is.
 
Niet: J. vertrekt uit de Tweede Kamer
Wel: Tweede Kamerlid J. stapt op
 
Vermijd beeldspraak
 
Niet: K. terug bij oude liefde
Wel: K. opnieuw trainer van Boxveldse boys
 
De intro
De intro of lead van een webartikel geeft de samenvatting van het verhaal. De intro van een webbericht is kort. Hij bestaat uit maximaal vijftig woorden. Dit betekent letterlijk: schrijven is schrappen.
De intro eindigt met een hyperlink (meestal: lees verder). Daarop klikken zorgt dat je naar het deel van de site gaat waar de rest van het artikel staat. De intro staat meestal op de homepage of nieuwspagina van de website.
 
Tekstblokken
Via de hyperlink aan het eind van de intro kom je terecht bij het bericht of artikel. Begin dit met een variant van de lead, dan weet de lezer dat hij op de goede pagina is beland. Deze nieuwe intro moet de lezer daarnaast overhalen verder te lezen. Vervolgens bouw je het artikel of bericht logisch op in tekstblokken (chunks). Een tekstblok is eigenlijk een klein artikeltje op zich. Een typisch kenmerk voor een webtekst, want je loopt immers het risico dat de non-lineaire lezer midden in de tekst begint te lezen! Tussen de tekstblokken maak je tussenkopjes. Deze zijn informatief, maar mogen ook best prikkelend zijn. Ze moeten de lezer immers overhalen ook het volgende tekstblokje te lezen. Tekstblokken voor websites zijn maximaal honderd tot honderdvijftig woorden lang. Liefst nog korter.
 
 
Trend: gothics en lolita’s
 
(lead op nieuwspagina)
In Japan is het een van de opvallendste subculturen. In Nederland raakt de stijl snel in opkomst: gothics en lolita’s. Jongeren die zich kleden en opmaken als zombie of juist als onschuldig prinsesje.
lees verder ...
 
(lead webpagina, variant op de intro van de nieuwspagina)
Afkomstig uit Japan: de ‘gothic en lolita’-stijl. Ook Nederland raakt in de ban van de subcultuur van de zombie en het lieve prinsesje.
 
(tekstblok 1)
Sailor Lolita en gothic aristocrat
Gothic en lolita bestaat uit allerlei substijlen. Sweet Lolita kleedt zich als een negentiende eeuws prinsesje, compleet met pijpenkrullen, kanten handschoentjes en een parasolletje. Gothic Lolita doet dat ook, maar alleen in zwart-wit. En Sailor Lolita loopt in een matrozenjurk. De gothic aristocrat is een chique zombie: perfect gesneden victoriaanse kleding, maar uitsluitend in zwart-wit.
 
(tekstblok 2)
Rockmuziek, strips en tekenfilms
De stijl is ontstaan in Osaka, rond 1999. Oorsprong is de specifieke Japanse muziekcultuur, die bekendstaat als ‘visualkei’. Kenmerkend daarvoor zijn de uitzinnig geklede en opgemaakte rockbands. Soms zijn ze heel zoet gekleed, dan weer choquerend. De fans namen de kledingstijl over. Gothics en lolita’s doken ook steeds vaker op in Japanse tekenfilms en strips. Daardoor groeide de populariteit snel. Een groep Japanse jongeren ging zich net zo kleden als hun striphelden. Een subcultuur was geboren.
 
(tekstblok 3)
Duur kopen of zelf maken
In Nederland zijn de gothics en lolita’s nog een klein groepje, maar dit groeit snel. De outfits komen vaak uit Japan en zijn nogal eens gemaakt van dure stoffen en rijk bewerkt met kant. Daardoor is het een heel dure kledingstijl. Vierhonderd euro voor een outfit is niets. Veel gothics en lolita’s maken de kleding daarom zelf. De patronen staan in het zelfmaakboek voor gothics, de Gothic&Lolita Bible.
 

Het oog wil ook wat

 
Beeldschermen worden steeds mooier en beter leesbaar. Maar een beeldscherm is nog steeds geen papier. Dit betekent dat andere regels gelden voor kleuren, typografie en het gebruik van plaatjes.
 
Kleur op het beeldscherm
Hoe snel een webpagina kan worden gelezen, is ook afhankelijk van het kleurgebruik. Een goed contrast tussen tekst en achtergrond is heel belangrijk Het snelst lees je een zwarte of blauwe tekst op een witte achtergrond. Een goed leesbaar alternatief is zwarte tekst op een lichtgrijze achtergrond of witte tekst op een zwarte achtergrond. Wat niet werkt, is een paarse tekst op een blauwe achtergrond of een rode tekst op een groene achtergrond.
 
Kies een goed lettertype
Ook voor de keuze van typografie (het soort letter) is het beeldscherm heel anders dan papier. Niet de schreefletters, die het op papier zo goed doen (zie ook de bijlage), maar de wat rondere schreefloze letters zoals Verdana, Tahoma en Arial lezen juist lekker weg op een website.
 
Plaatjes op het web
Afbeeldingen worden steeds belangrijker op het web, zeker nu het door de hogere internetsnelheid geen probleem meer is om ze te downloaden. Wel is het handig om foto’s met een fotobewerkingsprogramma geschikt te maken voor het internet. Je verkleint dan de resolutie (hoeveelheid dots of pixels per inch). Voor drukwerk is het gebruikelijk om foto’s te gebruiken van minimaal 300 dpi (dots per inch); op het internet voldoen foto’s met een resolutie van 72 tot 96 dpi. 
 

De weg vinden op het web

 
Het maken van een structuur voor een website, is niet jouw werk. Toch is het goed je zaak geregeld te bepleiten bij je technische collega’s. Want een goede navigatie waarmee de lezer gemakkelijk zijn weg kan vinden op de site, is een van de belangrijkste voorwaarden om hem binnen te houden.
 
Hyperlinks en vensters
Naast een navigatiemenu kun je structuur en samenhang aanbrengen met hyperlinks, dus woorden of stukjes tekst waarop je kunt klikken. Doe je dat, dan spring je naar een ander stuk tekst.
 
Geef de hyperlinks namen die duidelijk maken waar de lezer naartoe gaat.
 
Niet: Informatie over modelbouw vindt u hier.
Wel: Informatie over modelbouw.
 
Maak logische hyperlinks.
 
Niet: Kijk voor de webwinkel van De Speelgoedgigant op www.jochembreukhoven.nl
Wel: Naar de webwinkel van De Speelgoedgigant
 
Zet niet te veel links in lopende tekst. Dit leidt af van de inhoud en ze verleiden de zappende lezer door te klikken naar een andere pagina.
 
Niet: Hoe menselijk is de mensaap? Een vraag die weer helemaal actueel is. Daarom hebben we de beroemde apenkenner Glenn Moss uitgenodigd voor een lesje apenstreken.
 
Wel: Hoe menselijk is de mensaap? Een vraag die weer helemaal actueel is. Daarom hebben we de beroemde apenkenner Glenn Moss uitgenodigd voor een lesje apenstreken. Zie ook: www.glennmoss.com.
 
Gebruik links met mate. Vraag je steeds af of de link zinvol en interessant is voor de lezer of nodig voor de interne structuur en samenhang.
 
Niet: Consumenten zijn een half procent goedkoper uit met hun boodschappen in de supermarkt als alles er is. In de praktijk is dit echter niet het geval. Soms zijn er schappen leeg. Dat heeft te maken met de regels voor het vakkenvullen.
 
Wel: Consumenten zijn een half procent goedkoper uit met hun boodschappen in de supermarkt als alles er is. In de praktijk is dit echter niet het geval. Soms zijn er schappen leeg. Supermarkten mogen overdag namelijk alleen tussen 7.00 en 9.00 uur en aan het einde van de middag hun vakken bijvullen.
 
Zorg er bovendien voor dat je de lezer niet kwijtraakt als hij op een link klikt, dus dat hij op de website van een andere organisatie terechtkomt. De kans dat hij uiteindelijk weer terugkomt, is namelijk heel klein. Zorg er daarom voor dat een externe link een pagina in een nieuw venster opent. Jouw eigen website wordt dan niet afgesloten. Zo komt de bezoeker vanzelf weer terug op jouw site.
 
(c) Marijke de Jong - Communicatietoolkit
 
 
 

Contact

adres

Schoolstraat 4

5261 BPVught

telefoon

0610833970

e-mail

info@jongenhelder.nl